Dyslexie kun je voorkomen door meer en gerichte oefening


Onderzoek in Onderwijs, deelopdrachtje 3

Inleiding

Dyslexiehoogleraar Anna Bosman laat op 9 februari in het AD optekenen dat er volgens haar een causale relatie is tussen slecht onderwijs en dyslexie. ‘Er wordt gewoon te weinig geoefend’, zegt ze (Winters, 2017). Ze trekt een vergelijking met dyscalculie waar zij ook onderzoek naar deed. Na een intensief interventieprogramma gingen haar leerlingen beter rekenen omdat ze meer hadden geautomatiseerd.

Het debat over het wel of niet bestaan van dylexie als ‘psychologische diagnose’ is niet nieuw. In 2015 zette emeritus hoogleraar orthopedagogiek Aryan van der Leij het discours in historische context. In de jaren 1970 was dyslexie nog vooral een ‘ziekte voor de middenklasse’ (Leij, 2015) omdat laagopgeleide ouders veel meer leken te geloven dat de oorzaak bij henzelf lag en dus niet aan de bel trokken als bleek dat hun kind niet op school kon meekomen. Tegenwoordig is dat wel anders, en hoewel het nog altijd niet duidelijk is wat een dyslectisch kind nu precies onderscheidt van een kind met ernstige leesproblemen, zijn er middels de DSM-V en door het ministerie vastgestelde criteria nu wel diagnoses beschikbaar, en met een diagnose extra tijd en geld om wat aan de problemen te doen. Het gevolg is dat meer mensen zich gewillig laten labelen.

In feite vindt van der Leij dat het onderwijs dan te laat is. Pas als het kalf al in de put ligt, wordt er actie ondernomen. Beter is dyslexie (en andere leesproblemen) voorkomen, vindt hij (Leij, 2014). Gerichte oefening met de methode ‘Bouw!’ (Regtvoort, Zijlstra, & Leij 2013) lijkt achterstanden te kunnen voorkomen, iets dat de stelling van Bosman in het AD lijkt te ondersteunen.

Soort onderzoek

De promovendi deden twee experimenten onder basisschoolleerlingen in de groepen 2, 3 en 4 die waren voorgeselecteerd op een zwakke score in letterkennis en klankbewustzijn. Er werd ook een groep kinderen geselecteerd waarbij dyslexie in de familie zat, wat volgens de onderzoekers de kans op dyslexie vertienvoudigd. De kinderen werden verdeeld over experimentgroep en controlegroep en de experimentgroep volgde een computergestuurd programma waarin op maat extra hulp werd aangebracht bij de leerlingen.

Methode van dataverzameling

Het leesvaardigheidsniveau werd via leestoetsen gemeten. Er werd bovendien in groep 5 nog een followup toets aangeboden om het effect van de interventie op lange termijn vast te stellen.

Betrouwbaarheid en validiteit

Als de onderzoeksvraag is: helpt meer gericht oefenen om dyslexie te voorkomen of te repareren, zoals Bosman beweert, dan is dit onderzoek goed opgezet. Een experiment is, mits goed uitgevoerd natuurlijk, een sterk middel om te kijken of een bepaalde hypothese ceteris paribus klopt. Het probleem is natuurlijk zoals altijd of er wel echt sprake is van ceteris paribus. Wat deden leerlingen die extra oefenden met de computer nog meer? In het stuk wordt genoemd dat de ouderbetrokkenheid groot was. Ouders die nauw betrokken worden bij het Bouw! programma hebben misschien ook meer voorgelezen, of laten lezen. Ouders werden zelf misschien meer geletterd en gingen dat meer overbrengen op hun kind. Zeker bij een langlopend onderzoek als dit, is de kans tot oplopende verschillen tussen de experimentgroep en de controlegroep vrij groot.

Deze bedenkingen gelden echter vooral voor de specifieke vraag naar de invloed van Bouw! – voor Bosmans stelling is extra oefening thuis immers ook geldig; het maakt niet uit waardoor die extra oefening is ingegeven.
Wat betreft de generaliseerbaarheid van de experimenten: ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat leerlingen in Amsterdam of Enkhuizen wezenlijk anders een taal aanleren of ontwikkelingsachterstanden oplopen. De groepen zijn wat mij betreft groot genoeg. Meer is natuurlijk altijd beter, maar de steekproefomvang is denk ik al vrij ruim gezien de praktische uitvoerbaarheid van het onderzoek.

Conclusie

Het computerprogramma helpt leesproblemen aanzienlijk verminderen – ook bij kinderen waarbij de kans op dyslexie hoog kan worden ingeschat. Meer oefenen, stellen de promovendi, helpt dyslexie voorkomen. Anna Bosman’s claims, hoe vervelend voor dyslectici en docenten ook, lijken door deze experimenten gestaafd te worden.

Link tussen krantenbericht en artikel

De link is er niet – ik heb ‘m gelegd. In het krantenartikel wordt niet verwezen naar een dyslexieonderzoek – Bosman trekt de parallel tussen dyslexie en dyscalculie, en stelt vast dat wat voor dyscalculie geldt, volgens haar ook opgaat voor dyslexie. Automatiseren, gericht oefenen, en een preventief interventieprogramma, waarin extra tijd wordt vrijgemaakt door de leerling, en hulp-op-maat wordt geboden door het programma lijken te werken voor kinderen met een bepaald risicoprofiel.

Relevantie voor mijn onderwijspraktijk

Als mentor van een HAVO-2 is dit in zoverre een interessant onderzoek, omdat eruit blijkt dat het label ‘dyslexie’ geen eindpunt is. Gerichte training werkt. Vaak krijg ik als docent de reactie: ‘Ja maar meneer, ik kan er niets aan doen dat mijn werkstuk bol staat van de taalfouten – ik ben immers dyslectisch.’
Met die leerlingen kan ik nu gericht in gesprek gaan, over wat dat nu eigenlijk betekent. Het betekent nadrukkelijk NIET dat ik dan maar een slecht geschreven stuk moet accepteren. Het betekent dat we samen op zoek moeten gaan naar strategieën waardoor we deficiënties kunnen wegwerken.
Zo’n Bouw! computerprogramma zou op mijn middelbare school, gericht op leerlingen van 11 jaar en ouder, heel welkom zijn. Voor rekenen hebben wij een dergelijk computerprogramma, en daarvan wordt gebruik gemaakt. Voor dyslexie weet ik op dit moment niet of een dergelijk reparatieprogramma bestaat. Ik ga dit aan onze dyslexiecoördinator vragen.

Bronnen

  1. Leij, van der, A. (2014). Beter voorkomen dan genezen, Didactief Special Dyslexie, geraadpleegd op 18 februari 2017 om 13.39
  2. Leij, van der, A. (2015). Dyslexie tussen mythe en mode, Skepter 27.2, http://skepsis.nl/dyslexie-tussen-mythe-en-mode/ geraadpleegd op 18 februari 2017 om 13.39
  3. Regtvoort, A., Zijlstra, H. & Leij, van der, A. (2013). The effectiveness of a 2-year supplementary tutor-assisted computerized intervention on the reading development of beginning readers at risk for reading difficulties: A randomized controlled trial. Dyslexia, 19(4), 256–280.
  4. Winters, B. (2017). ‘Dyslexie is het gevolg van slecht onderwijs’, Algemeen Dagblad 9-februari 2017, http://www.ad.nl/binnenland/dyslexie-is-het-gevolg-van-slecht-onderwijs~ac50d96b/ geraadpleegd op 18 februari 2017 om 13.38

Over hoentie

Docent, geograaf, sportman, schaker, schrijver, kaas, koffie, lezen, reizen, sauna's, jongleren, behoorlijk beroerd schaken, zelfverklaard sitcom expert, amateurkok, bon-vivant, nerd, kunst, HBO series, jonge hond.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *