Social science fiction als onderzoeksmiddel – De kracht van de camera


In de afgelopen twee jaar heb ik in vlagen flink geschreven aan mijn afstudeerscriptie / magnum opus. Begin juli werd deze geaccepteerd, en sindsdien moeten jullie mij allemaal Master of Science noemen.
In de scriptie werk ik uit, in brede lijn en aan de hand van enkele grote steden, wat films kunnen betekenen voor de bestudering van sociale fenomenen: meer specifiek: “Op welke manier komen stadsgeografische theorieën terug in Amerikaanse getto – en Franse banlieue social science fiction?”

De combinatie van bewegend beeld en geluid heeft een mysterieus effect op mensen. Film is een geweldige verhalenverteller, en geen ander medium kan zo direct en intens een andere wereld scheppen als film.
Cinema in zijn algemeenheid en horror cinema in het bijzonder neemt ons in de veiligheid van de bioscoopstoel, luie zetel of bankstel mee naar plekken waar wij in werkelijkheid niet durven komen. Plekken waar mensen wonen die net als de kannibalen, freaks en geretardeerde plattelanders onmiskenbaar anders zijn dan wij. Plekken die wij niet kennen, waarvan wij geen weet hebben dat zij bestaan.

Films stellen ons in staat situaties te beleven die wij niet bereid zijn te ondergaan in onze ‘echte’ realiteit.
Uit hersenonderzoek is gebleken dat het bekijken van films neurotransmitters als dopamine en oxytocine triggert (Kühn & Gallinat, 2014; Grabowski, (2015)).
Het brein behandelt wat het ziet als waar, zegt Glenn Sparks, professor en medevoorzitter van de Brian Lamb School of Communication aan Purdue University.

“It is very difficult to tell the primitive brain to ignore the apparent reality of what it is seeing, and if the images appear to be real and terrifying, the brain tells the body to react accordingly.” (Bykofsky, 2015)
Horrorfilms worden dus ook bekeken om dezelfde reden als dat mensen in een achtbaan gaan zitten en porno wordt bekeken om seks te simuleren: het brein maakt geen onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid.
Film heeft dus zeggingskracht over de werkelijkheid omdat het fungeert als een soort spiegel. Stanley Kauffman meende zelfs dat existentiële vragen, zoals wie wij zijn en waar en hoe te leven kunnen worden beantwoord door middel van films. De thema’s die films aankaarten komen uit het ‘echte leven’ en kunnen zich uitkristalliseren tot iets herkenbaars.

Filmcrititus Gawie Keyser, die regelmatig masterclasses film- en leven organiseert, schrijft over het dubbelleven dat de kijker aangaat zodra deze een film ziet. Met het dubbelleven bedoelt Keyser dat de filmbezoeker en de film een relatie met elkaar aangaan, omdat deze iets herkent in het leven van de personages: “Deze levens zijn reflecties van elkaar. Wie kijkt, wordt bekeken. Het fictieve leven ontsluit nieuwe betekenissen in het leven van de kijker.” (Keyser, 2014)

Films stellen ons dus in staat om zaken te ondergaan en plaatsen te onderzoeken waar wij in werkelijkheid niet bereid of in staat zijn naartoe te gaan. Bijvoorbeeld de achterbuurten van grote steden.

In de openingsscene van de Amerikaanse HBO serie The Wire wordt gelijk de toon gezet. De makers van de serie tonen de realiteit zoals zij ‘m zien: onschuldige kinderen zijn toeschouwer van de moord op een jongen die verkouden werd en een treurige bijnaam kreeg. Het asfalt is grofkorrelig, de locatie is verpauperd, de politie houdt zich bezig met routinewerkzaamheden en de beste vriend van de vermoordde legt zich gedwee neer bij de vaststelling dat de sociale realiteit waarin hij leeft hard is. Het komt niet in hem op om te reageren op een mogelijk alternatief – de Kleenex wordt verder niet uitgewerkt.

Ook het centrale, sociologische vraagstuk van de serie wordt getoond: de overduidelijke scheiding van- en tegelijkertijd de connectie tussen- de twee mannen in gesprek. Zwart en blank komen uit twee verschillende werelden, met verschillende mores. De zwarte man gelooft niet in het strafrecht, leeft in informeel circuit van junkies en gokkers, waar je mensen kent bij hun bijnaam, en waarin geweld gewoon is. De blanke is autoriteitsfiguur, belast met het onderzoek naar de moord, die ondanks zijn poging om de ander en diens wereld te begrijpen daar nooit echt in slaagt en van de ene verbazing in de andere valt zonder echt verder te komen in zijn onderzoek.
Wat de mannen delen – tot verbazing van McNulty en amusement van diens collegae – is het typisch Amerikaanse geloof dat mensen het recht hebben om deel te nemen aan de friday night craps game, ook al staat van te voren vast dat ze het geld zullen proberen te jatten.

Met deze scène vertelt The Wire dat de komende 60 uur de Amerikaanse samenleving vanuit twee verschillende invalshoeken zal worden belicht: die van de dominante structuur (bijvoorbeeld door verhaallijnen vanuit actoren in het politiecorps, de havenarbeiders, de politiek, de publieke scholen en de journalistiek), alsook de gettocultuur die brave blanke burgervaders niet veel zullen tegenkomen. De eerste scène zet deze werelden direct tegenover elkaar en concludeert gelijk dat hoewel deze werelden misschien overeenkomstige waarden hebben (‘This America man’), deze waarden op een compleet diametrale manier worden ingevuld in de praktische mores van het dagelijks leven.

The Wire, zo wordt beweerd, is een fundamenteel sociologische serie (Penfold-Mounce, Beer & Burrows, 2011) die in de loop van vijf seizoenen van elk twaalf afleveringen van een uur telkens een ander facet van de Amerikaanse grootstedelijke problematiek uitwerkt. The Wire doet dit op een dermate zorgvuldige en authentieke manier, dat er sprake is van social science fiction, wat ze definieert als “an ‘inexistent’ tale that produces a ‘real being’, in a form that inspires the sociological imagination.” (Penfold-Mounce, Beer & Burrows, 2011)

In de studie naar The Wire als waardevol researchmateriaal en populair middel om dieper in te gaan op sociologische theorieën staan Penfold-Mounce, Beer en Burrows zeker niet alleen. The Wire heeft inmiddels een groot aantal (populair-) wetenschappelijke publicaties opgeleverd waaronder doctoraalscripties, meerdere boeken, speciale edities van wetenschappelijke bladen en talloze artikelen en waarvan Karen McCormack (2015) op het moment van schrijven van deze inleiding de meest recente is.

Ook in Nederland trekt The Wire de aandacht, en dat terwijl de show nooit op een Nederlands station is uitgezonden. In April 2014 organiseerde de Universiteit van Amsterdam een open collegedag op het Roeterseiland voor geïnteresseerden van binnen en buiten de academische wereld – de plaatsen in de zaal waren binnen een week uitverkocht: klaarblijkelijk spreekt The Wire en het concept van social science fiction nogal tot de verbeelding.
Maar wat is nu precies social science fiction? Wanneer produceert een fictief narratief een betekenis werkelijke zeggingskracht heeft?

Karen McCormack observeert iets soortgelijks als zij vaststelt dat de verhaallijn rondom McNulty (politieagent) en D’Angelo (drugsdealer) een opvallend gelijke structuur vertonen. In de eerste aflevering blijkt de zinloze moord op Snot Boogie gepleegd door D’Angelo Barksdale, het neefje van drugskoning Avon die op zijn beurt een getuige omkoopt waardoor ‘D’ uiteindelijk vrijuit gaat. Avon plaatst, omdat de moord gemakkelijk voorkomen had kunnen en moeten worden, zijn neef terug naar ‘The Pit’, een locatie waar de omzet in de drugshandel minder hoog is en die voor D statusverlies betekent.

McNulty, de politieagent die de moord onderzocht, is ontevreden over de uitkomst van de zaak en klaagt bij de rechter over de werkwijze van de politie. De ‘corner boys’ worden telkens opgepakt voor kleine vergrijpen wat veel politiekracht kost (te meer omdat de daarbij horende papierwinkel op het bureau nog met oude Remingtons en Type ex tot in de kleine uurtjes van de nacht moet worden uitgewerkt), en de grote bazen blijven buiten schot. De rechter besluit hierover te praten met de commissaris van politie die op zijn beurt gedwongen wordt om een ‘task force’ in te stellen hetgeen McNulty komt te staan op een ferme berisping alsmede een plek in die ‘major crimes unit’ die gehuisvest wordt in een luidruchtige, slecht geïsoleerde kelder en bevolkt wordt met ofwel uitgebluste prepensionados ofwel ongeduldige, jonge en in sommige gevallen onbekwame collegae.

Het is duidelijk dat de task force van hun superieuren geen hulp hoeft te verwachten, sterker nog: er wordt hen opgedragen een aantal snelle ‘rip and runs’ uit te voeren: een echte zaak maken waar veel manuren in zitten en waardoor de agenten die zijn toegeschreven aan de unit lang weg blijven van hun eigen onderbemande en ondergefinancierde moederafdelingen wordt niet op prijs gesteld.
Op deze manier vertelt The Wire de institutionele verhalen waar Wilson aan refereerde: de serie gebruikt de levens van individuen om te laten zien hoe instituten werken: of het nu gaat om de drugshandel, de politiecorpsen, de havenarbeiders en hun vakbond, de politiek, publieke scholen of de journalistiek: The Wire legt elke keer bloot hoe de verhouding is tussen agency en structuur en dat maakt het tot social science fiction: een fictief verhaal dat sociaalwetenschappelijke uitspraken doet.

In mijn masterscriptie ga ik op zoek naar social science fiction in hollywoodfilms en Franse banlieuecinema. Ik analyseer aan de hand van beroemde en minder beroemde Hoodmovies de sociologie van Los Angeles’ getto en de Parijse voorstad. Met enige aandacht voor de filosofische vraagstukken – wat is nog waarheid in termen van simulacra? Is de kunst een afspiegeling van het leven, of imiteert het leven de kunst? – en een inbedding in de Geographies of Cinema, werpt de scriptie enig licht op de etnische spanningen die de Amerikaanse en Europese grote steden in tweeën snijden.

Social science fiction, betoogt deze scriptie, is een handig hulpmiddel om ingewikkelde sociologische en stadsgeografische theorie voor een groot publiek toegankelijk te maken en aan de hand van fictieve etnografieën is het mogelijk om plekken te bestuderen die anders ontoegankelijk zouden zijn.

PDF Download de volledige masterscriptie hier (pdf, grotendeels Nederlandstalig, 29 MB).

Bronnen:

  1. Bykofsky, M. (2015), What’s Going On in Your Body When You Watch a Horror Movie, Yahoo Health, https://www.yahoo.com/beauty/what-s-going-on-in-1281718224920630.html geraadpleegt op 28-4-2016 om 11.44
  2. Grabowski, M. (ed). (2015), Neuroscience and Media: New Understandings and Representations, Routledge, New York
  3. Keyser, G. (2014), Manifest Film & Leven, Domein voor de kunstkritiek, 1e Editie, http://domeinvoorkunstkritiek.nl/activiteiten-items/masterclass-film-leven/ geraadpleegd op 16 mei 2015.
  4. Kühn, S. & Gallinat, J. (2014), Brain Structure and Functional Connectivity Associated With Pornography Consumption: The Brain on Porn. JAMA Psychiatry 71(7), 827-834
  5. McCormack, K. (2015). Revisiting The Wire. Visual Studies, 30(1), 90–97.
  6. Penfold-Mounce, R., Beer, D., & Burrows, R. (2011). The Wire as Social Science-fiction? Sociology (45), 151-167.
  7. Penner, J., Schneider, S.J., Duncan, P. (2008). Horror Cinema. Taschen, Keulen.

Over hoentie

Docent, geograaf, sportman, schaker, schrijver, kaas, koffie, lezen, reizen, sauna's, jongleren, behoorlijk beroerd schaken, zelfverklaard sitcom expert, amateurkok, bon-vivant, nerd, kunst, HBO series, jonge hond.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *