Achthonderd


Achthonderd meter is niet ver, tenzij je het hinkelt of kruipt. Achthonderd meter, u wandelt het op een luie zondagmiddag in een minuut of tien. Achthonderd meter is de klassieke middenafstand bij het hardlopen, de ultieme combinatie van kracht en uithoudingsvermogen – het is het equivalent van de 1500 meter bij het schaatsen – te lang voor de sprinters, te kort voor de langeafstandspecialisten. Achthonderd meter, een inspanning van twee minuten maximaal presteren: de wereldtop 1 minuut 40, de amateurs 2 minuten en 20 seconden. Je lichaam weet er geen raad mee – je verbrandt je creatinefosfaten in de eerste dertig seconden, en schakelt al na 250 meter over op je glycogeen. Je zuurstof is meestal na de eerste volle ronde al opgebruikt en je benen beginnen vol te lopen met melkzuur. En dan moet je nog 400 meter vol gas.
“Als je die laatste ronde denkt dat je nog kan versnellen, dan is het goed. Het betekent dat je niet zo veel verliest”, aldus de trainer.

HardlopenOp de trainingspakkenwedstrijd was het vorige week maandag zo ver: mijn eerste wedstrijdje sinds ik in november weer last kreeg van pijntjes bij cross in Hoorn. De hele winter had ik lekker getraind – hard, maar blessurevrij. Mijn doel is doel om onder de 2.20 te lopen – harder van 20 kilometer per uur. In mijn serie zitten een paar jonge jongens en mijn twee trainingsmaatjes L. en H. L. heeft me gevraagd om met de 800 mee te doen, zij komt terug van een bevalling en wil graag onder de 2.25. Ik heb toegezegd dat ik wel wil hazen maar dat ik wel mijn eigen race wil lopen. H. is op papier sneller dan ik, en ik hoop dat ze nog wat kopwerk wil doen al reken ik daar niet op. Het plan is om 67 door te komen, en dan alles in de laatste driehonderd eruit te persen. Ongeacht wat H. doet – als ze me klopt, dan klopt ze me. Maar ik wil onder de 2.20.
Het startschot klinkt, en ik schiet weg in de binnenbocht. Dat heeft als voordeel dat al je concurrenten in de banen naast je voor je starten, waardoor je precies kan zien wie waar zit en je een beetje je eigen plek kunt uitkiezen. Maar het gaat zoals ik verwachtte, ik start redelijk snel en lig al na de eerste honderd meter op kop van het veld. Niemand gaat nu over mij heen komen om tempo te maken, ik moet het alleen doen.
Op de 200 meter loop ik 31,5 – das eigenlijk iets te snel. Ik had 33 willen lopen, maar echt langzaam starten kan ook niet, want in de honderd meter naar de finish heb ik wind tegen en zal ik dus wat tijd verliezen. Ik temporiseer iets, en kom in mijn ritme.
Achter me hoor ik geblaas.

Een keer eerder liep ik een achthonderd in wedstrijdverband. Het was op de clubkampioenschappen vorig jaar. J. liep op kop, H. erachter en daarachter ik. Ik liep op mijn gewone wegwedstrijdschoenen, spikes had ik niet. De eerste ronde deed J. rustig aan en kwamen we in 65 door. Ik zat er bij en voelde mijn benen langzaam aan kracht inboeten. Het was niet eens echt verzuring, maar meer dat er bij elke stap minder snelheid werd geleverd bij dezelfde energie. En meer energie leveren was niet mogelijk. J. versnelde op 300 meter van het einde. Ik probeerde mijn eigen tempo vast te houden, en nog wat te sparen voor de laatste bocht. Langzaam zag ik ze weglopen, eerst tien meter, toen twintig.
Op de streep had J. 2.17 en H. 2.18 en ik 2.24 – ik was niet ontevreden, maar mijn wielrennersego had na het lossen wel echt een deuk opgelopen.

De klok is niet goed zichtbaar vanaf baan een. Ze hebben de klok schuin achter het juryhuisje neergezet, en pas heel laat zie ik mijn doorkomst: 1.07. Perfect. Nu gewoon dit tempo vasthouden de bocht door en dan voor de wind doortrekken en alles eruitgooien in de laatste honderdvijftig meter tegenwind. Het plan past als een bus. Achter me neemt het gesnuif in volume toe. Doet H. d’r best om er voor de wind al over te komen? Ik verleng mijn pas en zweef naar de tweehonderdlijn. Ik voel dat de kracht die ik moet leveren zijn effect niet mis. Mijn benen worden iets zwaarder, maar ik kan voor mijn gevoel doortrekken. “Je gaat goed!” hoor ik de trainer roepen. “Je gaat onder de 2.20 finishen!”
Ik trek in de bocht alle registers open. Ik gooi mijn handen in verhoogd ritme naar voren, in de hoop dat mijn benen volgen. Voor mijn gevoel versnel ik; een gevoel dat wordt versterkt doordat ik het geblaas achter me niet meer hoor. Ik kom nu nog honderd meter vol met mijn neus in de wind. Ik zet stappen zo groot dat er een oceaan tussen past. De wind duwt me terug, maar ik snijd er doorheen als in mijn beste jaren op de fiets. Ik gooi alles eruit, totdat het enige dat ik nog hoor het suizen van de wind is langs mijn schelpen en het bonken van mijn hart in de rest van mijn hoofd.
Op de streep kijk ik naar de tijd. 2.18.10 – een nieuw PR.

Verweesd draai ik me om. Zo slecht voelt dit nu ook weer niet. H. loopt 2.21 en L. komt binnen op 2.24. Ik wandel even naar baan zes, en puf nog wat meer uit. Ik zoek een bidon met wat water. Ik hijg en met elke teug lucht voelen mijn slijmvliezen branderiger. Dan wordt er plotseling een olifant op mijn rug gelegd. Van het ene op het andere moment blokkeert mijn hele lijf en voel ik alles. Ik ga zitten. Mijn benen hebben simpelweg de kracht niet meer om me te dragen. Mijn bronchieen zijn veranderd in een kolkende vulkaan. Ik spuug wat lava uit, en probeer de messen uit mijn benen te trekken.
Als de laatste deelnemer over de streep gekomen is, zo’n driekwart minuut later, kan ik weer wat bewegen. “Ging het wat?” vraagt een maatje. “Ja”, zeg ik, “ging lekker.”


Over hoentie

Docent, geograaf, sportman, schaker, schrijver, kaas, koffie, lezen, reizen, sauna's, jongleren, behoorlijk beroerd schaken, zelfverklaard sitcom expert, amateurkok, bon-vivant, nerd, kunst, HBO series, jonge hond.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *